Je onderzoeksvragen

Nu je een onderwerp voor je profielwerkstuk hebt, is het tijd om een hoofdvraag te formuleren. Dit is de belangrijkste vraag die je wilt beantwoorden in je werkstuk. De hoofdvraag is vaak te groot om eenvoudig te kunnen beantwoorden. Daarom knip je je onderzoeksvraag op in deelvragen. Dit zijn vragen die elk een stukje van je hoofdvraag beantwoorden. De hoofd- en deelvragen vormen samen je onderzoeksvragen. Je kunt mogelijk ook een hypothese toevoegen. Dit is een stelling of een voorspelling over de uitkomst van je onderzoek.

Een paar voorbeelden

Een goede onderzoeksvraag bevat dus altijd 3 of 4 aspecten om hem goed af te bakenen: Wat? Wanneer? Waar? Wie? Een paar voorbeelden:

  • Hoe kunnen social media ingezet worden om burgerparticipatie bij de politie te vergroten?
  • Welke gevolgen heeft de vergrijzing in Nederland voor de werkgelegenheid?
  • Wat zijn de beste manieren om Nederlanders bewust te maken van gezonde voeding?

Meer informatie over onderzoeksvragen

Hoe bepaal je je onderzoeksvragen?

Hoe weet je of jouw onderzoeksvraag geschikt is? Het is slim om je eerst een beetje in te lezen. Kijk op internet hoeveel en welke informatie je over je onderwerp kunt vinden en formuleer dan in je hoofd alvast een voorlopige hoofdvraag. Zo kun je inschatten wat je nodig hebt om deze vraag te kunnen beantwoorden. Later kun je de vraag altijd nog bijstellen.

Bedenk zowel bij je hoofdvraag als bij je deelvragen ook wat voor soort vraag je wilt stellen: een beschrijvende, verklarende, analyserende of een evaluatieve vraag? Onderzoeksvragen moeten trouwens altijd open zijn. Als je ze kunt beantwoorden met ‘ja’ of  ‘nee’, zijn ze niet geschikt!

Wat is een goede hoofdvraag?

Een hoofdvraag moet zo concreet mogelijk zijn. Je kunt dit toetsen door de vraag alvast in je hoofd te beantwoorden. Is hij te algemeen, dan is hij bijna niet te beantwoorden omdat je veel te veel informatie nodig hebt. Maar let op: is het antwoord in een paar cijfers te geven? Dan is je vraag te specifiek.  

Baken je onderwerp dus goed af en benoem je onderwerp (wat), de periode die je onderzoekt (wanneer) en/of het onderzoeksgebied (waar). Je hoofdvraag moet ook eenduidig zijn. Dat wil zeggen dat hij maar op één manier uit te leggen is. Houd ook rekening met de haalbaarheid: is je vraag te onderzoeken binnen de tijd (80 uur) en met de middelen die je hebt?

Waarom heb je deelvragen nodig?

Om je hoofdvraag te beantwoorden formuleer je verschillende deelvragen. Je deelvragen helpen je structuur aan te brengen in je onderzoek. Bovendien verkleinen deelvragen de kans dat je iets over het hoofd ziet. Maak bijvoorbeeld een mindmap en zet alles wat je te binnen schiet als je aan je onderwerp denkt op een velletje papier. Elke deelvraag levert een bijdrage aan je hoofdvraag. Stel dus geen vragen die niet nodig zijn.

Deelvragen zijn minder complex dan je hoofdvraag, maar voldoen wel aan dezelfde eisen. Zet ze in een logische volgorde, zodat ze samen een doorlopend verhaal opleveren. Zet ze bijvoorbeeld chronologisch (in de tijd) neer, of bouw op in diepgang. 

Wat voor soorten onderzoeksvragen zijn er?   

Er bestaan verschillende soorten onderzoeksvragen. Stel je een beschrijvende vraag, dan breng je iets in kaart: je beschrijft in je PWS een situatie, gebeurtenis of ontwikkeling. Stel je een verklarende of analyserende vraag, dan ga je op zoek naar de oorzaken, processen of gevolgen van een gebeurtenis of ontwikkeling. Vaak begint deze vraag met ‘waarom’. Een 'waarom'-vraag is niet heel geschikt als hoofdvraag, omdat dit vaak niet specifiek genoeg is. Met een vergelijkende vraag kijk je naar de verschillen of overeenkomsten tussen twee zaken. Tot slot een evaluatieve vraag: hiermee evalueer je een bepaald onderwerp. Je stelt de waarde van iets vast, geeft iets betekenis of een oordeel.

Ga door naar Stap 3